Effectieve kernlading
De kern bevat Z protonen, maar een elektron in een meer-elektronenatoom reageert niet op de volledige lading +Ze alsof de andere elektronen afwezig waren. Effectieve kernlading is de taal waarmee de netto aantrekking wordt beschreven nadat elektronafscherming en orbitaalpenetratie zijn meegenomen.
Van kernlading naar effectieve aantrekking
Kernlading en de lading die één elektron ervaart
Bij waterstof is het onderscheid eenvoudig: één elektron ziet een kern met Z = 1 en er zijn geen andere elektronen die afschermen. In een meer-elektronenatoom wordt ieder elektron door de kern aangetrokken en door de andere elektronen afgestoten. Dat is een kwantummechanisch veeldeeltjesprobleem, geen klassieke negatieve schil die simpelweg van de kernlading kan worden afgetrokken.
Een nuttige benadering is Zeff = Z − S, waarbij S de afscherming door de overige elektronen weergeeft. De waarde hoort bij een bepaald elektron of orbitaal. Daardoor kunnen kernelektronen en valentie-elektronen in hetzelfde atoom sterk verschillende effectieve kernladingen ervaren.
Kernelektron
Bevindt zich vaak dicht bij de kern en wordt door relatief weinig elektronen afgeschermd. De effectieve aantrekking is groot.
Valentie-elektron
Ligt meestal verder naar buiten en wordt door de kernelektronen afgeschermd; het ervaart veel minder dan de volledige kernlading.
Penetratie verandert de afscherming
Elektronen bewegen niet in dunne cirkelvormige schillen. Orbitalen hebben radiale waarschijnlijkheidsverdelingen. Binnen een vergelijkbare hoofdschil dringt een s-orbitaal sterker door tot dichtbij de kern dan p, gevolgd door d en f. Dichtheid die verder naar binnen reikt, bevindt zich binnen een groter deel van de andere elektronendichtheid en wordt daardoor minder afgeschermd.
Verandering door het periodiek systeem
Binnen een periode groeit Z sterker dan de afscherming
Van het ene element naar het volgende in een periode komt er een proton bij en gaat het extra elektron meestal in dezelfde hoofdschil. Elektronen in dezelfde schil schermen elkaar slechts gedeeltelijk af. De toename van één proton wordt dus niet door een volledige extra eenheid afscherming gecompenseerd, zodat de effectieve kernlading op valentie-elektronen doorgaans stijgt.
Dat mechanisme draagt zowel bij aan de afname van de atoomstraal als aan de algemene stijging van de eerste ionisatie-energie van links naar rechts. De twee trends hoeven niet los uit het hoofd te worden geleerd: ze volgen uit dezelfde balans tussen kernlading, afscherming en orbitaalgrootte.
Omlaag in een groep verandert een nieuwe schil de balans
Omlaag in een groep nemen zowel Z als het aantal bezette schillen toe. Het valentie-elektron zit in een grotere hoofdschil en wordt sterk afgeschermd door de onderliggende elektronen. Daardoor kan het buitenste elektron relatief zwak gebonden blijven, ondanks de grotere kernlading.
Zwakke d- en f-afscherming laat sporen na
d- en vooral f-elektronen compenseren de stijgende kernlading voor buitenliggende elektronen niet volledig. Dat draagt bij aan geleidelijke contractie in overgangsreeksen en aan de lanthanidencontractie. Zo wordt begrijpelijk waarom Zr en Hf opvallend vergelijkbare stralen hebben, hoewel Hf een periode lager staat.
Schattingen en grenzen van het model
Slaterregels maken een gecontroleerde schatting mogelijk
De regels van Slater kennen empirische afschermingsbijdragen toe op basis van de posities van de overige elektronen. Ze zijn nuttig voor vergelijkingen en handberekeningen, maar zijn geen exacte kwantummechanische oplossing. In een echt atoom passen orbitalen zich onderling aan en kan elektroncorrelatie niet volledig in één getal S worden samengevat.
Zeff is dus geen lading die rechtstreeks met een instrument wordt gemeten en ook geen universele constante van een element. Het is een compacte modelgrootheid voor de netto kernattractie op een gekozen elektron.
Oefeningen
Natrium en chloor
Na en Cl hebben valentie-elektronen in hoofdschil n = 3. Bij welk element is de effectieve kernlading op de valentie groter?
Oplossing
Bij chloor. De kern bevat zes protonen meer, terwijl de extra elektronen in dezelfde schil die extra kernlading slechts gedeeltelijk afschermen.
Kern- of valentie-elektron
Welk elektron ervaart in één atoom doorgaans een grotere effectieve kernattractie: een 1s-elektron of een buitenste valentie-elektron?
Oplossing
Het 1s-elektron. Het bevindt zich veel vaker dicht bij de kern en wordt door minder elektronendichtheid afgeschermd.
Waarom geen unieke atoomwaarde?
Waarom is het onjuist om één exact Zₑff aan alle elektronen in een atoom toe te kennen?
Oplossing
Omdat afscherming en penetratie van het specifieke orbitaal afhangen. Kern- en valentie-elektronen hebben verschillende ruimtelijke verdelingen en ervaren dus niet dezelfde netto aantrekking.